Dossier voedselcrisis 2011 >
"Voedselcrisis is in eerste instantie een gebrek aan politieke wil" *

Hebben we onvoldoende lessen getrokken uit de vorige voedselcrisis? Drie jaar geleden wijdden we een hele Djembé aan de wereldwijde voedselcrisis van 2008. De huidige komt dubbel zo hard aan. Miljoenen mensen moeten dubbel zo diep in de portemonnee tasten om eten te kopen. Volgens de Wereldbank zijn er het laatste half jaar 44 miljoen mensen in extreme armoede bijgekomen. Neen, geen lessen geleerd. Dus maakten we een nieuw dossier, gevoed door zij die er middenin staan: onze partners en de 250.000 boeren in Bolivia, West-Afrika en de Filippijnen met wie we dag in dag uit samenwerken aan een betere voedsel- en watervoorziening.
Vicieuze cirkel
Jarenlang gaven overheden in ontwikkelingslanden de voorkeur aan goedkope import van buitenlands voedsel, en marginaliseerden tegelijkertijd de ontwikkeling van de landbouw in eigen land. Niet geheel hun schuld. Europa en de Verenigde Staten waren destijds sterke promotors om de eigen voedseloverschotten uit te voeren naar deze landen. Door de verwaarlozing van de lokale landbouw, ontstond een plattelandsvlucht van boeren, op zoek naar een beter leven in de stad. Om al deze nieuwe, arme inwijkelingen te voeden, en om de politieke stabiliteit in de steden te bewaren, was er nood aan goedkoop voedsel: dus bleven ze voedsel importeren tegen prijzen waar de lokale boeren in hun eigen land niet tegen kunnen concurreren, wat tot een verdere neerval van hun lokale landbouw leidde. Het is een vicieuze cirkel die zichzelf blijft voeden, zolang overheden in ontwikkelingslanden niet volop kiezen om een landbouwbeleid te ontwikkelen ten voordele van hun eigen boeren.
Eigen boeren eerst?
< Opboksen tegen de "goedkope" import
Vanaf de jaren ‘80 laten West-Afrikaanse landen hun boeren aan hun lot over. Lokale productie wordt nog nauwelijks gestimuleerd. De productie van basisvoedsel zoals graan viel in Senegal in tien jaar tijd terug op de helft: van 94 procent in 1985 tot 51 procent in 1996. Er worden slechts schuchtere maatregelen genomen om de import aan banden te leggen. In twintig jaar tijd is de voedselsituatie van de bevolking afhankelijk geworden van de import van Aziatische rijst. “West-Afrikaanse landen kozen voor een voedselzekerheid gebaseerd op tijdelijk goedkope import. Ze kozen niet voor een voedselsoevereiniteit gebaseerd op een lokale productie. De keuze voor het eerste was trouwens een politieke keuze: voedsel voor de stedelijke bevolking met een belangrijker kiespotentieel was belangrijker dan een keuze voor het platteland. Het aandeel van landbouw in het Bruto Nationaal Product van Senegal ligt rond 15 procent, terwijl maar liefst 70 procent van de bevoling actief is in de landbouw. Voedselsoevereiniteit lijkt haast een droom, met als zelden voorkomende basisvoorwaarde: een legitieme regering die kiest voor landbouwontwikkeling”, meent Wim Vereecken, programmaverantwoordelijke voor West-Afrika.
Ook in Bolivia waaide er twintig jaar geleden een neoliberale wind. Kleine boeren werden steeds meer op de achtergrond geduwd, ten gunste van grootschalige landbouw, bestemd voor export. De afhankelijkheid van geïmporteerd voedsel nam hierdoor toe. Toen in 2006 de voedselprijzen sterk begonnen te stijgen, greep de socialistische regering van president Evo Morales in met drastische maatregelen. De export van bepaalde producten zoals maïs, rijst, tarwe en vlees werd tijdelijk aan banden gelegd om de productie voor eigen land te stimuleren. EMAPA werd in het leven geroepen, een staatsbedrijf dat het land van goedkoop voedsel moet voorzien. Dit gebeurt in eerste instantie door goedkoop voedsel te importeren, kredieten te verstrekken aan kleine boeren, en maximumprijzen vast te leggen voor kip en suiker. Dit bracht de voedselprijzen in de periode 2008-2009 weer op het oude niveau.
Robert Rueda, directeur van onze partner ICO, over EMAPA: “de oprichting van EMAPA heeft ervoor gezorgd dat arme families een betere toegang hebben tot basisproducten. Maar het blijft een tijdelijke oplossing die niet het achterliggende probleem oplost van het conventionele, agrarische model dat heel kwetsbaar is voor externe invloeden.” Ook volgens Juan Carlos Sejas, coördinator van onze partner Aynisuyu, wordt met deze overheidsmaatregelen de nationale voedselproductie te weinig gestimuleerd: “Door de maximumprijzen en exportbeperkingen wordt het minder interessant voor onze eigen agrarische sector om te produceren, en blijven we afhankelijk van import”.
klik hier om verder te lezen
* Olivier De Schutter, speciaal rapporteur van de Verenigde Naties voor het recht op voedsel.