
Burkina Faso, tot 1982 bekend als Opper Volta, telt ongeveer 13,5 miljoen inwoners. In 1980 telde Burkina Faso amper 5,8 miljoen inwoners. Volgens prognoses zou de bevolking in 2015 maar liefst 18,5 miljoen inwoners tellen. Net als elders in West-Afrika, hypothekeert de snelle bevolkingsgroei een gezonde economische ontwikkeling. In en rond de hoofdstad Ouagadougou wonen ongeveer één miljoen mensen. Viervijfde van de bevolking woont op het platteland. Burkina Faso telt ongeveer 60 verschillende etnische groepen, waarvan de Mossi veruit de grootste groep vormen (50% van de bevolking). Iets meer dan de helft van de mensen is moslim, 6% is christen en om en bij de 26% belijdt één van de traditionele godsdiensten.
Faso behoort tot de vijf minst ontwikkelde landen ter wereld. Niet minder dan 44,5 % van de bevolking moet rondkomen met minder dan één dollar per dag. Bovendien moet liefst 81 % van de bevolking het zien te rooien met minder dan twee dollar per dag. Amper 13% van de volwassen bevolking kan lezen en schrijven. Malaria en gele koorts eisen elk jaar heel wat slachtoffer, en ook HIV/AIDS is in opmars – iets meer dan 4 % van de bevolking zou besmet zijn.
Burkina Faso bezit – behalve een beetje goud – weinig of geen natuurlijke rijkdommen, en grenst nergens aan de zee. Door gebrek aan goede grond en werkgelegenheid zien veel Burkinabezen zich genoodzaakt in de naburige kuststaten seizoensarbeid te gaan verrichten. In het land zelf is ongeveer 80% van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw en de visserij. Deze sectoren gelden dan ook als de speerpunten van economische ontwikkeling in Burkina Faso.
Katoen is hét exportproduct bij uitstek (70% van de totale export). Tussen 1990 en 2005 verdubbelde het verbouwde areaal katoen. De katoenproducerende landen in de West-Afrikaanse regio hebben zwaar te lijden onder de exportsubsidies van de westerse katoenproducenten. Toch is de katoenproductie dé motor van de economische ontwikkeling in Burkina Faso. In 2004 bereikten de katoenprijzen echter een nieuw bodemtarief. Deze lage prijzen impliceren een regelrechte aanval op het inkomen van een groot deel van de plattelandsbevolking, die vaak exclusief afhankelijk is van de inkomsten uit de katoenteelt.