Gambia is een buitenbeentje op de kaart van West-Afrika. Het land wordt volledig omsloten door Senegal. De staatsgrenzen volgen min of meer de loop van de Gambia-rivier. Het kleinste Afrikaanse land is ongeveer 250 kilometer lang, en slechts enkele tientallen kilometer breed.
Gambia telt ongeveer 1,6 miljoen inwoners, waarvan negentig procent moslim. De officiële landstaal is Engels, hetgeen wijst op een Brits koloniaal verleden. Bijna de helft van de bevolking spreekt Mandinka, beter bekend als de moedertaal van de gelijknamige Mandinka, die de grootste bevolkingsgroep in Gambia vormen.
Gambia bezit geen natuurlijke ertsen of mineralen. De (zeer bescheiden) export bestaat uit pindanoten, vis en dierenhuiden. Ongeveer driekwart van de bevolking is dus afhankelijk van landbouw en veeteelt. Maar dat percentage loopt snel terug, want de sector kent een sterke achteruitgang. De lokale voedselvoorziening kan de sterke bevolkingsgroei niet langer bijhouden. De oorzaken: een dalende hoeveelheid neerslag, gebrekkige marktmechanismen en dito kredietmogelijkheden. Bovendien ruilen steeds meer jongeren het platteland voor de hoofdstad Banjul of de blanke toeristenresorts (de ‘compounds’) aan de kust. De toeristische sector is een belangrijke motor van de Gambiaanse economie. Steeds meer Gambianen willen een graantje meepikken van de Europese deviezen. Ook de westerse way of life van de duizenden toeristen oefent een niet onderschatten aantrekkingskracht uit op Gambiaanse jongelui.
Jongeren verkiezen een westerse levensstijl boven het werk op het land. Met alle gevolgen vandien, want voedingsmiddelen worden schaarser in Gambia. Ondanks de vruchtbare bodem en het dito klimaat scoort Gambia sinds kort opvallend slecht in de nieuwe rapporten van de FAO (Food and Agriculture Organisation van de VN).